Eiser, een Eritrese nationaliteit bezittende vreemdeling, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat hij reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen. Eiser voerde aan dat hij nog steeds vervolging vreest in Eritrea en dat vluchtelingschap een declaratoir karakter heeft, en betwistte de beoordeling van verweerder over het veilig derde land Zuid-Afrika.
De rechtbank oordeelde dat het procesbelang van eiser ondanks zijn regulier verblijf blijft bestaan, conform eerdere jurisprudentie. De rechtbank verwierp het betoog dat vluchtelingschap declaratoir is en bevestigde dat de Nederlandse wetgeving en Europese richtlijnen niet verplichten tot beoordeling van vluchtelingenstatus bij niet-ontvankelijkheid.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet tot Zuid-Afrika wordt toegelaten, ondanks zijn langdurig verblijf in Nederland en correspondentie met Zuid-Afrikaanse autoriteiten. Ook de stelling dat het inschakelen van DT&V en IOM onredelijk is, werd verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.