ECLI:NL:RBDHA:2021:6212
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling wegens beschikbaarheid zorg in land van herkomst
Eiser, een burger van Nagorno Karabach, verzocht om een verblijfsvergunning voor medische behandeling in Nederland. Zijn eerdere asielaanvraag was afgewezen en hij had meerdere verzoeken om uitstel van vertrek ingediend vanwege zijn gezondheidstoestand. De aanvraag voor de verblijfsvergunning werd geweigerd omdat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de noodzakelijke medische behandeling.
De rechtbank stelde vast dat eiser zonder behandeling een medische noodsituatie tegemoet gaat, maar dat de noodzakelijke behandeling ook in Armenië of Nagorno Karabach beschikbaar is. Het Bureau Medische Advisering (BMA) had geadviseerd dat eiser onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige kan reizen en dat de behandeling in het land van herkomst aanwezig is. De rechtbank vond het BMA-advies zorgvuldig en concludent.
Eiser voerde aan dat de behandeling in het land van herkomst niet feitelijk toegankelijk is en dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedwongen uitzetting tot een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid leidt. Ook de bezwaren over reisdocumenten, financiële middelen en etnische discriminatie werden onvoldoende onderbouwd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning medische behandeling wordt ongegrond verklaard.