Eiseres, geboren in Zuid-Afrika als dochter van Nederlandse ouders, verloor volgens verweerder op 1 januari 1995 het Nederlanderschap van rechtswege op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Dit gebeurde omdat zij meer dan tien jaar onafgebroken in het buitenland woonde zonder tijdig gebruik te maken van de optiemogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen.
Eiseres verzocht om een Nederlands paspoort, maar haar aanvraag werd geweigerd. Zij stelde dat de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap onevenredig waren en dat verweerder onvoldoende rekening hield met haar persoonlijke omstandigheden, het rapport van de Nationale Ombudsman en het Europese recht.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een evenredigheidstoets had uitgevoerd, zoals vereist door het Hof van Justitie van de EU in het Tjebbes-arrest. De toetsing vond plaats naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap in 1995, waarbij ook redelijkerwijs voorzienbare gevolgen werden betrokken. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende had aangetoond dat zij ten tijde van het verlies substantieel gebruik maakte van haar EU-rechten of dat er sprake was van een beschermingswaardig familieleven.
Verder werd geoordeeld dat het verlies van het Nederlanderschap niet willekeurig was en niet in strijd met het Europees Verdrag inzake Nationaliteit of het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.