ECLI:NL:RBDHA:2021:6464
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt verenigbaarheid Barp artikel 26 met EU-richtlijn voor bovenwettelijke verlofuren
Eiser maakte bezwaar tegen de wijze van berekening en uitbetaling van zijn openstaande verlofuren bij ontslag per 1 juli 2019. Verweerder had onderscheid gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke verlofuren, waarbij alleen over de wettelijke uren een opslag werd uitbetaald. Eiser stelde dat ook over de bovenwettelijke uren opslag verschuldigd was.
De rechtbank onderzocht de toepassing van artikel 26 van Pro het Barp en de Europese Richtlijn 2003/88/EG, waarbij het HvJEU- rechtspraak werd betrokken. Uit jurisprudentie volgt dat het normale loon moet worden doorbetaald voor de wettelijke minimumvakantie van vier weken, maar dat voor bovenwettelijke verlofuren het nationale recht geldt en dat dit niet vereist dat het normale loon wordt doorbetaald.
De rechtbank concludeerde dat het Barp artikel 26 niet Pro onverenigbaar is met de Richtlijn voor wat betreft de financiële vergoeding van bovenwettelijke verlofuren. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en verweerder mocht de opslag over bovenwettelijke verlofuren achterwege laten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de berekening van de uitbetaling van bovenwettelijke verlofuren wordt ongegrond verklaard.