ECLI:NL:RBDHA:2021:6524
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting Participatiewet na correctie boetebedrag
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld over het beroep van eiser tegen een bestuurlijke boete opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wegens het niet melden van inkomsten in de periode van 12 juni 2017 tot en met 31 oktober 2017, in strijd met artikel 17 van Pro de Participatiewet.
Eerder had de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard omdat het oorspronkelijke benadelingsbedrag onjuist was vastgesteld. Verweerder heeft daarop het benadelingsbedrag verlaagd en de boete aangepast naar € 1.649,66. Eiser voerde aan dat er dringende redenen waren om af te zien van de boete vanwege deelname aan schuldhulpverlening, dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid en dat hij onvoldoende draagkracht had om de boete te betalen.
De rechtbank verwierp deze bezwaren. De omstandigheid dat de boete deelname aan schuldhulpverlening belemmert, vormt geen dringende reden. De beroepsgrond van verminderde verwijtbaarheid kon niet opnieuw worden beoordeeld omdat deze reeds onvoorwaardelijk was verworpen in de eerdere uitspraak. Ten aanzien van draagkracht stelde de rechtbank vast dat eiser over voldoende inkomen beschikt om de boete binnen twaalf maanden te voldoen, ondanks feitelijke schulden.
De rechtbank concludeerde dat de boete passend en geboden is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van € 1.649,66 wegens schending van de inlichtingenverplichting en verklaart het beroep ongegrond.