Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente Grootegast een onderzoek waaruit bleek dat appellante vanaf 18 augustus 2014 niet langer op het uitkeringsadres woonde en dit niet had gemeld, waarmee zij haar inlichtingenplicht schond.
Het college legde een boete op van €1.140,-, later verlaagd naar €1.130,29. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en het boetebesluit wegens een gebrek aan motivering in het nader besluit. Het college had voldoende bewijs geleverd, waaronder verklaringen van buurtbewoners en schoolgegevens, dat appellante niet meer op het uitkeringsadres woonde.
De Raad oordeelde dat er geen sprake was van grove schuld, maar van normale verwijtbaarheid, waardoor de boete werd vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag (€753,53). Het draagkrachtverweer faalde omdat appellante geacht werd de boete binnen twaalf maanden te kunnen voldoen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.