De rechtbank Den Haag behandelde een civiele zaak betreffende de verdeling van een gemeenschappelijke woning in Nederland na echtscheiding van partijen die in Marokko zijn gehuwd en de Marokkaanse nationaliteit bezitten. De zaak kende internationale aspecten, waardoor de rechtbank ambtshalve haar rechtsmacht en het toepasselijke recht moest vaststellen.
De rechtbank stelde vast dat zij rechtsmacht heeft op grond van de Brussel I-Verordening en de Verordening Huwelijksvermogensstelsels. Echter, het toepasselijke recht voor de verdeling van de woning valt buiten het temporele toepassingsbereik van laatstgenoemde verordening, omdat het huwelijk vóór 29 januari 2019 is gesloten en partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt.
Op basis van het Chelouche/Van Leer-arrest werd geconcludeerd dat het Nederlandse recht van toepassing is op de verdeling van de woning, ongeacht het huwelijksvermogensstelsel. De rechtbank oordeelde dat de vordering tot verdeling niet ongegrond of onrechtmatig is en wees deze toe. Gedaagde werd veroordeeld mee te werken aan verkoop en betaling van lasten, en de verkoopopbrengst wordt gelijk verdeeld.
Ten slotte bepaalde de rechtbank dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. Het vonnis werd op 23 juni 2021 gewezen door mr. A.C. Bordes en uitgesproken door mr. D. Nobel.