Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria. Hij stelde dat hij bedreigd werd door een mensensmokkelaar aan wie hij geld had geleend en niet had terugbetaald, en dat hij gevaar liep vanwege een conflict over een stuk land dat hij van zijn vader had geërfd en dat door de gemeenschap was afgepakt.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser zijn gestelde vrees niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank onderzocht of eiser een reëel risico liep op ernstige schade door de gemeenschap of de mensensmokkelaar. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd waarom hij plotseling gevaar zou lopen van de gemeenschap, aangezien hij jarenlang het land met zijn familie had bewerkt ondanks bedreigingen.
Ten aanzien van de mensensmokkelaar stelde de rechtbank dat het ontbreken van contact sinds 2016 en het niet nader concretiseren van het vermeende gevaar onvoldoende waren om een reëel risico aan te nemen. Ook het aangevoerde artikel en rapporten over mensenhandel konden dit oordeel niet veranderen. De rechtbank concludeerde dat eiser niet in aanmerking kwam voor toelating op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond.