ECLI:NL:RBDHA:2021:6701
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. C.W.D. Bom, rechter bij de rechtbank Den Haag, omdat hij deze rechter partijdig achtte. De aanleiding was een klacht die verzoeker had ingediend bij de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad over de rechtbank Amsterdam, waarbij verzoeker vond dat de rechter ongeduldig was en al een mening had gevormd.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 mei 2021 werd het wrakingsverzoek besproken. De rechter gaf aan niet bevoegd te zijn om over de klacht bij de Procureur-Generaal te oordelen en stelde dat de klacht was gelezen, wat verzoeker betwistte. De wrakingskamer beoordeelde of er sprake was van omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter zouden schaden.
De wrakingskamer concludeerde dat uit het proces-verbaal en de zitting geen concrete feiten blijken die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechter had vragen gesteld om verzoeker, die zonder juridische vertegenwoordiging procedeerde, tegemoet te komen en open gecommuniceerd over de situatie.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid.