Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Nunez(ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709).
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Mauritaanse nationaliteitdragende vreemdeling die sinds 2001 in Nederland verblijft, heeft meerdere verblijfsaanvragen ingediend zonder succes. Na eerdere afwijzingen en een terugkeerbesluit, diende eiser in oktober 2019 opnieuw een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'niet tijdelijke humanitaire redenen'. Verweerder wees deze aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van een vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Eiser voerde aan dat zijn familie- en privéleven in Nederland aanwezig is en dat hij psychische problemen heeft, waardoor terugkeer naar Mauritanië onwenselijk is. De rechtbank oordeelde dat het familie- en privéleven van eiser in Nederland is opgebouwd zonder verblijfsstatus, waardoor artikel 8 EVRM Pro slechts onder uitzonderlijke omstandigheden tot verblijfsrecht kan leiden. De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet tot Mauritanië zal worden toegelaten of dat er objectieve belemmeringen zijn om zijn familie- en privéleven daar uit te oefenen.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond was en dat er geen reden was om af te wijken van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier niet tijdelijke humanitaire redenen wordt ongegrond verklaard.