ECLI:NL:RBDHA:2021:6817
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning familie en gezin en inreisverbod Iran
Verzoeker, van Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel familie en gezin, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingsgronden zoals artikel 8 EVRM Pro en de hardheidsclausule.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad sinds het terugkeerbesluit van 2003 en dat het familieleven met zijn partner niet als beschermenswaardig werd aangemerkt, mede omdat niet is gebleken dat de partner gescheiden is van haar eerdere echtgenoot en dat het familieleven ook in Iran kan worden ingevuld.
Verzoekers beroep op het opgebouwde privéleven en mantelzorg in Nederland werd onvoldoende geacht om de belangenafweging in zijn voordeel te doen uitvallen. Ook de coronapandemie bood geen grond voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Het opgelegde inreisverbod van twee jaar was rechtmatig en er waren geen humanitaire redenen om hiervan af te wijken.
Gelet op deze omstandigheden had het bezwaar geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt afgewezen.