ECLI:NL:RBDHA:2021:6937
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde ongegrond verklaard
De veroordeelde werd in 2012 door de kinderrechter veroordeeld voor openlijke geweldpleging en kreeg een werkstraf opgelegd. In 2020 beval de officier van justitie de afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, wat in januari 2021 plaatsvond. De veroordeelde diende bezwaar in op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden omdat destijds geen DNA werd afgenomen bij minderjarigen.
De rechtbank oordeelt dat er geen schriftelijke toezegging was die het vertrouwen op niet-afname rechtvaardigde. Ook is de uitzondering op de Wet DNA, die afname kan uitsluiten bij bijzondere omstandigheden of aard van het misdrijf, niet van toepassing. De minderjarige leeftijd van de veroordeelde bij het plegen van het feit is onvoldoende om afname te weigeren.
Verder weegt de rechtbank mee dat de veroordeelde na de veroordeling meerdere malen met justitie in aanraking is gekomen, waardoor het recidivegevaar niet gering is. Het tijdsverloop tussen veroordeling en afname staat de DNA-afname niet in de weg. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen DNA-afname bij de minderjarige veroordeelde wordt ongegrond verklaard.