Uitspraak
1.De bestreden beschikking
2.Het cassatieberoep
3.Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
DNA-profiel, tenzij:
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
13 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatie in het belang der wet over de vraag welke gevolgen het heeft wanneer het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek niet spoedig na de veroordeling wordt gegeven. De veroordeelde had bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel vanwege het tijdsverloop tussen veroordeling en bevel.
De Rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard, stellende dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen termijn voorschrijft voor afname en dat het tijdsverloop niet leidt tot schending van belangen van de veroordeelde. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het belang van spoed vooral ligt bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten, niet bij het belang van de veroordeelde.
De Hoge Raad wijst erop dat de wettelijke bewaartermijnen van DNA-profielen beginnen te lopen vanaf de einduitspraak en niet vanaf het moment van het bevel. Hierdoor wordt de veroordeelde niet in zijn belangen geschaad door het tijdsverloop. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het tijdsverloop tussen veroordeling en DNA-afname schaadt de belangen van de veroordeelde niet.