ECLI:NL:RBDHA:2021:6938
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde ongegrond verklaard
De veroordeelde werd in december 2008 door de kinderrechter veroordeeld voor medeplegen van brandstichting en kreeg een leerstraf opgelegd. In oktober 2020 werd door de officier van justitie het bevel gegeven tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, wat in januari 2021 plaatsvond. De veroordeelde maakte bezwaar tegen de DNA-afname op grond van zijn minderjarigheid ten tijde van het feit en het tijdsverloop sinds de veroordeling.
De rechtbank oordeelt dat de Wet DNA verplicht stelt dat bij iedere veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen, tenzij een uitzonderingsgrond geldt. De minderjarigheid van de veroordeelde vormt geen uitzondering, zoals bevestigd door jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarnaast is het tijdsverloop geen reden om de DNA-afname te weigeren, omdat de veroordeelde daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank stelt vast dat brandstichting een misdrijf is waarbij DNA-onderzoek van belang kan zijn voor opsporing en vervolging. Ook het strafblad van de veroordeelde, met meerdere justitiële contacten na de veroordeling, maakt het recidivegevaar niet gering. Daarom is geen sprake van een uitzonderingsgrond en wordt het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt ongegrond verklaard en het bevel tot afname blijft gehandhaafd.