ECLI:NL:RBDHA:2021:7114
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende bewijs van feitelijk verblijf in Duitsland
Eiseres, een Iraakse nationaliteit houdende vrouw, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van het afgeleide verblijfsrecht als familielid van een Nederlander. Zij stelde dat zij vanaf augustus 2018 samen met haar Nederlandse echtgenoot in Duitsland verbleef en in mei 2019 terugkeerde naar Nederland. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk gedurende drie maanden samen met haar echtgenoot in Duitsland had verbleven en daar een gezinsleven had opgebouwd.
De rechtbank overwoog dat eiseres administratief bewijs had overgelegd, zoals inschrijving op een adres, huurcontract en Duitse verblijfsdocumenten, maar dat dit onvoldoende was om het feitelijk verblijf aan te tonen. De door eiseres overgelegde kassabonnen waren niet herleidbaar tot haar persoon en de verklaring van een buurman betrof slechts een momentopname zonder bewijs van de vereiste verblijfsduur.
Verweerder had eiseres de mogelijkheid geboden aanvullend bewijs te leveren, maar zij kon geen objectief verifieerbaar bewijs overleggen van het feitelijk verblijf. De rechtbank vond dat verweerder terecht geen nader onderzoek hoefde te verrichten of een hoorzitting te houden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van het verblijfsdocument bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van feitelijk verblijf in Duitsland.