ECLI:NL:RBDHA:2021:7143
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afkondiging afkoelingsperiode en afwijzing aanvullende voorziening in WHOA-procedure
Verzoekster, een onderneming gevestigd te Katwijk die zwaar getroffen is door de coronapandemie, diende een verzoek in tot afkondiging van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet Pro en het treffen van een aanvullende voorziening op grond van artikel 378 en Pro/of 379 Faillissementswet. De omzet van verzoekster viel vrijwel geheel weg, waardoor zij een BMKB-krediet ontving en aanspraak maakte op diverse steunmaatregelen. Rabobank, als huisbank en pandhouder, blokkeerde een deel van het creditsaldo en weigerde medewerking aan een voorgestelde regeling.
De rechtbank oordeelde dat aan de voorwaarden voor afkondiging van een afkoelingsperiode was voldaan, omdat verzoekster actief bezig was met het voorbereiden van een akkoord en de afkoelingsperiode noodzakelijk was om de onderneming voort te zetten en de belangen van schuldeisers te dienen. De afkoelingsperiode werd vastgesteld op twee maanden, waarbij verhaal op goederen van verzoekster alleen met toestemming van de rechtbank kan plaatsvinden.
Het verzoek tot een aanvullende voorziening die de verplichting tot het stellen van vervangende zekerheid voor Rabobank zou beperken, werd afgewezen. De rechtbank vond geen toereikende grondslag in de wet en geen concreet belang van verzoekster dat zwaarder woog dan de belangen van Rabobank als pandhouder. De toezeggingen van partijen maakten het verzoek bovendien overbodig.
De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 9 juli 2021.
Uitkomst: De rechtbank kondigt een afkoelingsperiode van twee maanden af en wijst het verzoek tot aanvullende voorziening af.