Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres
[naam2], eiser
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met de nationaliteit van een ander land en moeder van een minderjarig kind, had een reguliere verblijfsvergunning in Nederland die met terugwerkende kracht werd ingetrokken. Vervolgens diende zij een asielaanvraag in. Verweerder stelde op basis van de Dublinverordening vast dat Bulgarije verantwoordelijk was voor de behandeling van haar asielverzoek, omdat zij ten tijde van de aanvraag in Nederland beschikte over een geldige Bulgaarse verblijfsvergunning.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de verklaring van het Bulgaarse Ministerie van Buitenlandse Zaken als bewijs aanvaardde. Eiseres kon geen concrete aanwijzingen leveren om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.
De rechtbank verwierp ook de stellingen van eiseres over bijzondere kwetsbaarheid en risico’s bij terugkeer naar Bulgarije, omdat zij onvoldoende concreet had gemaakt welke opvangbehoeften niet zouden worden vervuld en geen onderbouwing had gegeven voor haar vrees voor detentie of mishandeling.
De rechtbank concludeerde dat Bulgarije op grond van artikel 12 lid 1 Dublinverordening Pro verantwoordelijk is en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. De overdrachtstermijn was nog niet verstreken door een eerdere opschorting.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.