Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de overgelegde documenten, in samenhang bezien, niet als substantieel indicatief identificerend bewijs beschouwd.
Nu eiser geen bewijsnood aannemelijk heeft gemaakt, geen officiële maar wél onofficiële documenten heeft overgelegd die substantieel bewijs vormen voor zijn identiteit, heeft verweerder ten onrechte geen aanleiding gezien om aanvullend onderzoek aan te bieden. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 en Pro artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet, gelet op de noodzaak van aanvullend onderzoek door verweerder, geen reden om de rechtsgevolgen in stand te laten of om zelf te voorzien. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.