ECLI:NL:RBDHA:2021:7394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
20/6031
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 41 Aanvullend protocol Associatieovereenkomst EEG-TurkijeAwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwing ondernemingsplan

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, heeft op 21 oktober 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de vereisten, waaronder het ontbreken van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan.

Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank. Tijdens de zitting, die via Skype plaatsvond, werd het standpunt van verweerder bevestigd dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient en dat het ondernemingsplan niet voldeed aan de gestelde eisen.

De rechtbank oordeelde dat de documentatievereisten van verweerder niet in strijd zijn met de standstill-bepaling en dat eiser niet heeft aangetoond dat er reden was om van deze eisen af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat eiser geen aanvullende stukken had overgelegd en zijn onderneming niet was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/6031

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Vurdelja),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. van Iwaarden).

Procesverloop

In het besluit van 14 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.
In het besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft per Skypeverbinding plaatsgevonden op 1 juni 2021. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1977 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op
21 oktober 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat met zijn activiteiten als ondernemer een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Niet is gebleken dat de onderneming van eiser staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Verder voldoet het ondernemingsplan niet aan de daaraan gestelde vereisten en is het niet met objectief verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Daarnaast heeft eiser zijn vakinhoudelijke expertise niet aangetoond. Het huidige toelatingsbeleid is niet in strijd met de standstill-bepaling [1] .
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eiser voert aan dat verweerder zich baseert op een onjuiste rechtsopvatting over de standstill-bepaling. Verweerder heeft verder ten onrechte zijn ondernemingsplan niet aan de minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Daarnaast is zijn ondernemingsplan wel degelijk voldoende onderbouwd in het licht van de beoogde onderneming, namelijk het kweken van Turkse groenten. Verweerder had daarom ook moeten afwijken van de algemene eisen aan een ondernemingsplan en evenmin van eiser een bepaalde opleiding mogen verlangen om zijn onderneming uit te kunnen voeren. Kortom, verweerder had zijn beoordeling moeten toespitsen op de individuele omstandigheden van eiser.
4. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser zijn aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd. Het is aan eiser om zijn aanvraag te onderbouwen. Daarin is hij niet geslaagd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de door verweerder gestelde documentatievereisten niet in strijd zijn met de standstill-bepaling. [2] Verweerder kan in redelijkheid verlangen dat eiser de volgens het beleid vereiste stukken overlegt, mits hij daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dit betekent dat verweerder naast een ondernemingsplan opgesteld door een deskundige meer stukken ter onderbouwing van eisers aanvraag kan verlangen. De stelling van eiser dat verweerder van de vereisten van de aanvraag moet afwijken omdat deze niet in lijn zijn met het doel van zijn onderneming en hij niet de middelen heeft om aan de vereisten te voldoen, treft dan ook geen doel. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding heeft moeten zien om van zijn beleid af te wijken.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de vereisten van de aanvraag. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder in het primaire besluit duidelijk heeft gemotiveerd welke documenten ontbreken en op welke onderdelen het ondernemingsplan tekortschiet. Zo zijn eisers markt- en concurrentieanalyse slechts algemeen en summier beschreven en niet met de benodigde documenten onderbouwd. Desondanks heeft eiser in bezwaar geen aanvullende stukken overgelegd. Met de enkele stelling dat het ondernemingsplan wel voldoende is onderbouwd, heeft eiser verweerders standpunt onvoldoende weerlegd. Bovendien is in bezwaar noch in beroep gebleken dat eisers onderneming ingeschreven staat in de Kamer van Koophandel. Alleen al hierom heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen. De verwijzing ter zitting naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 5 maart 2021 [3] , en de beroepsgronden over de diplomavereisten behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 41 van Pro het Aanvullend protocol van 23 november 1970 bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3922.
3.AWB 19/8473 en AWB 19/8475.