Eiseres, samen met haar moeder en broer, allen Indonesische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarde dat een asielaanvraag moest zijn ingediend. Eisers voerden aan dat deze voorwaarde in strijd was met Unierechtelijke beginselen, het discriminatieverbod, en het EVRM, en dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat de Afsluitingsregeling nationaal begunstigend beleid betreft waarop het Unierecht niet van toepassing is. De voorwaarde van het indienen van een asielaanvraag is niet onredelijk en niet in strijd met het discriminatieverbod. Eisers konden geen concrete gelijke gevallen aantonen en waren niet gerechtvaardigd in de veronderstelling dat zij recht hadden op een vergunning. De aangevoerde bijzondere banden met Nederland, waaronder geboorte en schoolbezoek, overstegen de normale banden niet en rechtvaardigden geen vrijstelling van het mvv-vereiste.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging van verweerder voldoende was gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eisers werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.