ECLI:NL:RBDHA:2021:7528
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en geen schending artikel 8 EVRM
Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, vluchtte naar Nederland na problemen met familieleden die volgens hem invloed hebben op de autoriteiten in Jordanië. Hij stelde dat hij vanwege bedreigingen en een poging tot ontvoering van zijn dochter bescherming nodig had en vroeg asiel aan in Nederland.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat het asielrelaas niet geloofwaardig werd geacht. De rechtbank oordeelde dat de identiteit en familieproblemen wel aannemelijk waren, maar dat de connecties van de familie met de Jordaanse autoriteiten onvoldoende waren onderbouwd. Er waren tegenstrijdigheden in de verklaringen en geen concreet bewijs voor een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.
Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat de omstandigheden betrekking hadden op het land van herkomst en Nederland niet het meest aangewezen land is voor het privéleven van eiser. Bovendien was het niet aannemelijk dat verblijf in Marokko onmogelijk was, waar zijn echtgenote en kinderen de nationaliteit bezitten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.