ECLI:NL:RBDHA:2021:7822
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen inreisverbod ondanks medische klachten en gezinsbanden
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, was sinds 1992 ongewenst verklaard en kreeg in 2018 een inreisverbod van twee jaar opgelegd nadat zijn ongewenstverklaring werd opgeheven. Hij voerde aan dat hij vanwege ernstige medische klachten en zijn beperkte omgang met zijn minderjarige dochter een verblijfsvergunning op humanitaire gronden zou moeten krijgen en dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de medische situatie van eiser geen humanitaire reden vormt om af te zien van het inreisverbod. De medische stukken waren verouderd en boden onvoldoende bewijs van de huidige situatie. Ook was onvoldoende aangetoond dat eiser afhankelijk is van hulp in Nederland of dat hij geen sociaal netwerk in Suriname heeft.
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM Pro stelde de rechtbank vast dat het contact met de minderjarige dochter zeer beperkt is en dat het contact ook op afstand kan plaatsvinden. Bovendien woog mee dat eiser meerdere keren veroordeeld is en dat hij wist dat hij Nederland moest verlaten. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.