ECLI:NL:RBDHA:2021:7827

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2021
Publicatiedatum
22 juli 2021
Zaaknummer
NL21.8315
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening wegens verantwoordelijkheid Italië

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 28 februari 2021 een asielaanvraag in in Nederland. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië verantwoordelijk is volgens artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening, aangezien eiser eerder in Italië asiel had gevraagd.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege structurele tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en opvang, onderbouwd met rapportages en een artikel over maffia-invloed. Tevens stelde hij dat zijn rechten op grond van artikel 3 EVRM Pro zouden worden geschonden en dat hij slachtoffer is van de maffia in Italië.

De rechtbank oordeelde dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië nog steeds geldt en dat tekortkomingen niet zodanig zijn dat overdracht in de weg staat. De rechtbank vond de motivering van verweerder voldoende, wees het gebrek aan persoonsgerichte onderbouwing van eiser af en stelde dat de vergewisplicht van verweerder niet vereiste dat nader onderzoek werd verricht.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-inbehandelingname van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.8315

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.8316, op 1 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 28 februari 2021 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling ervan [1] . Eiser heeft eerder in Italië om asiel gevraagd. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Nu op dat verzoek niet tijdig is gereageerd, is Italië op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening [2] verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag.
3.
Eiser is van mening dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat zich daar aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser gewezen op de AIDA [3] rapportage Update 2019, en het artikel van Organized Crime and Corruption Reporting Project (OCCRP), ‘Italy: After Cosa Nostra, Nigerian Black Axe New Foe for Police’, van 17 mei 2018. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd omdat verwezen wordt naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dit kan niet als motivering dienen, die dient te bestaan uit feitelijke overwegingen, aldus eiser. Eiser stelt verder dat er sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM [4] . Eiser is als kwetsbaar aan te merken omdat hij geen sociaal netwerk heeft in Italië en de opvang en mogelijkheden tot bescherming ondermaats zijn. Hij is slachtoffer van de maffia, die hem heeft ingezet als drugskoerier. Het is een illusie dat eiser hulp zou kunnen vragen bij de Italiaanse autoriteiten. Indien eiser zich zou melden bij de politie om een klacht in te dienen zal hij in bewaring worden gezet en vervolgens uitgezet. Verweerder heeft een vergewisplicht wat betreft de veiligheid van eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [5] blijkt dat ten aanzien van Italië tot op heden nog steeds onverkort kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat ook Dublin-terugkeerders in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang. De algemene landeninformatie waarnaar eiser heeft verwezen is daarbij al meegenomen in de beoordeling van de Afdeling. Uit het AIDA-rapport blijkt weliswaar dat er tekortkomingen zijn, maar niet dat er sprake is van zodanige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen dat moet worden geconcludeerd dat deze aan de overdracht van Dublin-terugkeerders in de weg staan. Uit het persoonlijk relaas van eiser (gehoor van 8 maart 2021, p. 4) leidt de rechtbank af dat hij twee jaar opvang heeft gehad totdat zijn aanvraag werd afgewezen. Indien eiser van mening is dat Italië zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet naleeft, dient eiser hierover bij de autoriteiten in Italië te klagen.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder ter motivering van zijn besluit niet zou mogen verwijzen naar jurisprudentie. De desbetreffende rechtspraak van de Afdeling bevat immers de inhoudelijke argumentatie die mede ten grondslag ligt aan de motivering van het bestreden besluit.
6. Verder heeft eiser zijn stelling dat hij in Italië gedwongen werd tot drugshandel niet met op zijn persoon gerichte informatie onderbouwd. Het door hem aangehaalde artikel van de OCCRP stelt dat daar waar de invloed van de maffia teruggedrongen werd door overheid en politie, die ruimte is ingenomen door Nigeriaanse bendes. Niet gebleken is dat de Italiaanse autoriteiten hier niet tegen zouden optreden. Eiser heeft evenmin getuigenverklaringen overgelegd die aannemelijk maken dat hij zou zijn misbruikt in Italië of voor de maffia heeft moeten werken. Hoewel eiser stelt dat het zinloos zou zijn om te klagen bij de politie, is niet gebleken dat voor eiser die mogelijkheid niet bestaat. Dat eiser mogelijk in bewaring wordt genomen volgt uit het gegeven dat zijn aanvraag is afgewezen. Daartegen kan eiser een rechtsmiddel aanwenden.
7. Daarnaast mag verweerder op grond van het fictieve claimakkoord ervan uitgaan dat Italië eisers asielaanvraag zal behandelen volgens de geldende Europese richtlijnen, waarbij Dublin-terugkeerders op toereikende wijze worden opgevangen. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in het kader van zijn vergewisplicht nader onderzoek had moeten (laten) verrichten. De overdracht aan Italië levert niet op voorhand een schending op van artikel 3 van Pro het EVRM.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
2.Verordening (EU) nr. 604/2013
3.Asylum Information Database, blz. 64 en 107
4.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
5.Zie uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395),