Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
Transportbedrijf [derde-partij] B.V. (de werkgever), te [vestigingsplaats]
Rechtbank Den Haag
Eiser, laatstelijk werkzaam als vrachtwagenchauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan vanwege lichamelijke klachten die zijn arbeidsvermogen zouden beperken. Verweerder, het UWV, wees de aanvraag af op grond van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek waaruit bleek dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Eiser bracht diverse medische stukken in, waaronder rapporten van specialisten en een verzekeringsarts, die aanvullende beperkingen stelden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) onderzocht deze informatie en concludeerde dat er geen nieuwe medische feiten waren die tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat het oordeel van de verzekeringsartsen gemotiveerd en deskundig was. De functies die aan eiser werden toegedicht, passen binnen zijn belastbaarheid. De rechtbank zag geen reden om het besluit van verweerder te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering.