ECLI:NL:RBDHA:2021:7880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
23 juli 2021
Zaaknummer
AWB 20/5154
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21, negende lid, VisumcodeArt. 32, eerste lid, onder a, onder vi, VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing visum familiebezoek wegens coronareisbeperkingen

Eiseres, met de Iraanse nationaliteit, had een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek aan haar zoon in Nederland, maar haar aanvraag werd afgewezen vanwege onvoldoende aantoonbare doel en omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfels over haar terugkeer. Daarnaast werd de aanvraag afgewezen op grond van de Visumcode vanwege de coronapandemie en de daarmee samenhangende reisbeperkingen die sinds 19 maart 2020 in Nederland gelden.

Tijdens de zitting erkende eiseres dat haar aanvraag gezien de geldende reisbeperkingen afgewezen moest worden en gaf zij aan geen visum meer te wensen, maar wilde zij vaststellen dat zij voldoende sociale en economische binding met Iran heeft voor toekomstige aanvragen. De rechtbank overweegt dat elke visumaanvraag op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat een eerdere afwijzing niet automatisch leidt tot een positieve beoordeling bij een volgende aanvraag.

Daarom ontbreekt het procesbelang voor het huidige beroep en wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken in de proceskosten van eiseres vanwege het niet-hoor geven over een nieuwe weigeringsgrond in het bestreden besluit. De kosten zijn vastgesteld op €1.496,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/5154
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij [naam referent] (referent) afgewezen.
Bij besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2021. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook is referent verschenen, en [naam] als tolk.

Overwegingen

Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Zij heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek aan referent, haar zoon, in de periode van 26 januari 2020 tot en met 24 februari 2020.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres volgens hem het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en zij niet heeft aangetoond te beschikken over voldoende middelen van bestaan voor haar verblijf en de terugreis. Ook twijfelt verweerder aan het voornemen van eiseres om weer te vertrekken vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzingsgronden gehandhaafd en daarnaast de aanvraag van eiseres ook afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, onder vi, van de Visumcode [1] omdat eiseres wordt beschouwd als een bedreiging van de volksgezondheid. Dit is zo omdat in het kader van de maatregelen tegen de coronapandemie reisbeperkingen gelden die op 19 maart 2020 in Nederland van kracht zijn geworden. Nu eiseres komt voor familiebezoek, valt ook zij onder deze tijdelijke beperkingen.
4. Ter zitting heeft eiseres erkend dat haar aanvraag, gezien de geldende reisbeperkingen, afgewezen moest worden. Zij heeft verklaard dat zij niet meer uit is op verlening van het gevraagde visum, maar dat zij vastgesteld wil hebben dat zij wel degelijk voldoende sociale en economische binding heeft met Iran, zodat dit haar niet wordt tegengeworpen bij een toekomstige visumaanvraag.
5. De rechtbank overweegt dat elke nieuwe visumaanvraag op het moment van die aanvraag - op zijn eigen merites - moet worden beoordeeld. Een eerdere toe- of afwijzing leidt dus niet automatisch tot een gelijkluidend volgend besluit. Dit volgt uit artikel 21, negende lid, van de Visumcode. Eiseres zal daarom bij een toekomstige aanvraag op dat moment moeten aantonen dat zij aan de voorwaarden voor visumverlening voldoet. Wat eiseres met deze procedure nu nog wil bereiken, is dus niet mogelijk.
6. De rechtbank moet dan ook constateren dat eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
7. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een nieuwe en dwingende weigeringsgrond opgevoerd. Op zichzelf mag dat, maar hij heeft nagelaten eiseres daarover te horen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De rechtbank heeft deze kosten berekend op € 1.496,- voor de verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Lopar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009