ECLI:NL:RBDHA:2021:8046
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning voor Dublinclaimant na aangifte mensenhandel volgens nieuw beleid
Eiser, een Dublinclaimant uit Senegal, deed na een eerdere asielaanvraag in Nederland op 28 augustus 2019 aangifte van mensenhandel. Verweerder wees de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'humanitair tijdelijk' af, omdat het Openbaar Ministerie (OM) op 4 september 2019 besloot geen vervolging in te stellen en de aanwezigheid van eiser in Nederland niet langer noodzakelijk was voor strafrechtelijk onderzoek.
Eiser voerde aan dat hij reeds op 16 maart 2019 had aangegeven aangifte te willen doen en dat het nieuwe beleid, dat sinds 1 augustus 2019 geldt, onjuist werd toegepast en in strijd is met artikel 8 van Pro Richtlijn 2004/81/EG en het arrest Rantsev. Hij stelde dat hij vanaf het moment van aangifte recht had op een verblijfsvergunning en dat het beleid onrechtmatig en strijdig met het gelijkheidsbeginsel is.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag pas formeel is ingediend op het moment dat de kennisgeving van aangifte door de politie aan verweerder is doorgegeven, dus na de inwerkingtreding van het nieuwe beleid. Het beleid is volgens de rechtbank correct en niet in strijd met de richtlijn. De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het arrest Rantsev. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.