ECLI:NL:RBDHA:2021:8128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juli 2021
Publicatiedatum
27 juli 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6989
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 8:69a AwbArt. 8:75 AwbArt. 2 lid 5 Verdrag van Aarhus
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen Wnb-vergunning vanwege relativiteitsvereiste

Bij besluit van 17 september 2020 verleende het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het bouwen van 71 woningen aan de Fazantenlaan te Oostvoorne. Eisers maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat de vergunning de natuurwaarden van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Voornes Duin en Voordelta zou aantasten.

De rechtbank onderzocht of eisers voldoende belanghebbenden waren om beroep in te stellen. Gelet op de ligging van hun woning, ongeveer 400 meter van Voornes Duin en 2,5 kilometer van Voordelta, en het ontbreken van direct zicht op deze gebieden, concludeerde de rechtbank dat de Natura 2000-gebieden niet tot hun directe woon- en leefomgeving behoren. Hierdoor strekken de beschermingsnormen van de Wnb niet tot bescherming van hun belangen, zoals vereist door het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb.

Eisers voerden ook procedurele bezwaren aan en verwezen naar het Verdrag van Aarhus, maar de rechtbank oordeelde dat deze niet los kunnen worden gezien van het materiële beschermingsbereik van de Wnb. De rechtbank volgde de eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en zag geen reden om daarvan af te wijken.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 12 juli 2021.

Uitkomst: Het beroep tegen de Wnb-vergunning wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang van eisers.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6989
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. B. Vermeirssen),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. B. Krot).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
[derde-partij] en Bouwers en Ontwikkelingsmaatschappij Beagle Vastgoed LVIII. B.V.,te Rotterdam (gemachtigden: mr. R.J.G. Bäcker en mr. N. Thorborg).

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het bouwen van 71 woningen gelegen aan de Fazantenlaan te Oostvoorne.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van deskundige MSc. S. Muijs. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of eisers kunnen opkomen voor de eventuele aantasting van de natuurwaarden door het (mogelijk) veroorzaken van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Voornes Duin en Voordelta. Deze vraag houdt verband met het zogenoemde relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn immers in die wet opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
3. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR1412) volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokkenen normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, wordt beoordeeld aan de hand van de situering van de woning van de betrokkenen, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkenen en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947).
4. Niet in geschil is dat de woning van eisers gelegen is op ongeveer 400 meter afstand van het Natura 2000-gebied Voornes Duin en op 2,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Voordelta. De woning van eisers bevindt zich in een bebouwde omgeving, in het midden van de dorpskern. Eisers hebben in het geheel geen zicht op de desbetreffende Natura 2000-gebieden. Zij hebben gesteld dat Oostvoorne
inhet Natura 2000-gebied ligt, en niet
aan. Uit de kaart van het Natura 2000-gebied Voornes Duin blijkt dat echter niet. Er is geen sprake van een landelijk gelegen woning omringd door natuur.
5. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de Natura 2000-gebieden behoren tot de direct woon- en leefomgeving van eisers. De betrokken normen van de Wnb strekken derhalve kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers.
6. Eisers hebben ook procedurele beroepsgronden aangevoerd. Om de schending van een procedurele norm of de schending van een formeel beginsel van behoorlijk bestuur in te kunnen roepen, is het beschermingsbereik van de onderliggende materiële norm – hier: de Wnb – bepalend. De schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur kan bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb niet los worden gezien van de materiële normen waarop eisers zich beroepen. Aan deze procedurele normen of formele rechtsbeginselen komt in zoverre geen zelfstandige betekenis toe.
7. Wanneer de schending van ingeroepen materiële normen niet tot vernietiging van een besluit kan leiden, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, geldt dat ook voor de door eisers gestelde schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur (zie de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706).
8. Eisers hebben nog een beroep gedaan op artikel 2, vijfde lid, van het Verdrag van Aarhus en gesteld dat hun beroepsgronden op grond van dit verdrag inhoudelijk behandeld kunnen worden. Zij achten de hiervoor vermelde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 waaruit blijkt dat het relativiteitsvereiste niet in strijd komt met de Unierechtelijke implementatie van het Verdrag van Aarhus, te beperkt. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De Afdeling bespreekt het Verdrag van Aarhus in het algemene deel van de overzichtsuitspraak en oordeelt daarin dat de toepassing van het relativiteitsvereiste niet in strijd is met het Verdrag van Aarhus. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van dat oordeel af te wijken.
9. De rechtbank concludeert dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat de verleende Wnb-vergunning op grond van de door eisers naar voren gebrachte beroepsgronden wordt vernietigd.
10
.Het beroep is daarom ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb, bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, en mr. A.C. de Winter en mr. M.K.G. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier, op 12 juli 2021.
De griffier is niet in de gelegenheid
om dit proces-verbaal te tekenen
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.