ECLI:NL:RVS:2020:2706
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste in het bestuurs(proces)recht bij bestemmingsplannen
Bij besluit van 10 juli 2019 stelde de raad van Amsterdam het bestemmingsplan Twiske Zuid II vast, met 157 woningen waarvan 120 gerealiseerd en 37 met onherroepelijke vergunningen. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaf een overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De uitspraak bevat een algemene toelichting op het relativiteitsvereiste, dat bepaalt dat een bestuursrechter een besluit niet vernietigt wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die zich erop beroept. De Afdeling bespreekt de wetshistorie, het doel van het artikel, de verhouding tot internationaal recht en de toepassing in het omgevingsrecht.
Vervolgens wordt uitgebreid ingegaan op het beschermingsbereik van diverse normen, zoals formele beginselen, materiële beginselen, normen uit de Wet ruimtelijke ordening, Wet natuurbescherming, Bouwbesluit 2012 en andere relevante regelgeving. De Afdeling behandelt ook de verwevenheid van individuele belangen met algemene belangen, de positie van rechtspersonen, en de toepassing van het relativiteitsvereiste bij uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen.
De uitspraak benadrukt dat appellanten zich in beginsel niet kunnen beroepen op belangen van anderen en dat het relativiteitsvereiste niet geldt in de bestuurlijke besluitvorming maar alleen in de rechterlijke toetsing. Tevens wordt toegelicht dat het relativiteitsvereiste geen ontvankelijkheidsvereiste is, maar kan leiden tot het achterwege blijven van vernietiging op bepaalde gronden. De Afdeling geeft daarmee een gedetailleerd kader voor de toepassing van het relativiteitsvereiste in het bestuursrechtelijke omgevingsrecht.
Uitkomst: De uitspraak biedt een uitgebreide juridische leidraad over de toepassing van het relativiteitsvereiste in bestuursrechtelijke procedures tegen bestemmingsplannen.