Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr. D.M. Biermann, griffier.
Rechtbank Den Haag
Eiser diende op 28 juni 2019 een asielaanvraag in bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Nadat verweerder niet tijdig op de aanvraag had beslist, stelde eiser verweerder in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank Roermond verklaarde dit beroep gegrond en legde een dwangsom op indien niet binnen vier weken een besluit werd genomen.
Verweerder nam op 8 mei 2020 een besluit tot toekenning van de verblijfsvergunning en stelde de hoogte van de verbeurde dwangsom vast. Eiser was het niet eens met de vastgestelde hoogte en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van de hoogte van de dwangsom geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd verklaarde.
De rechtbank verwees naar de wettelijke regeling in artikel 8:55d Awb en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat de dwangsom via het burgerlijk recht kan worden afgedwongen. Eiser moet zich daarom tot de burgerlijke rechter wenden voor geschillen over de hoogte van de dwangsom.
De rechtbank wees het beroep af wegens onbevoegdheid en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter Bosman en griffier Biermann op 29 juli 2021.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de rechterlijke dwangsom.