Uitspraak
Beschikking op het op 11 maart 2020 ingekomen verzoekschrift van:
[Y]
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats 1] , Marokko,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats 2] , Marokko,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 3] , Marokko,
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats 4] , Marokko,
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Procedure
Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie
Feiten
- De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit.
- Aan verzoeker is bij Koninklijk Besluit van 6 september 2000 het Nederlanderschap verleend. Verzoeker behield hierbij de Marokkaanse nationaliteit.
- De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verkregen bij geboorte het Nederlanderschap, omdat verzoeker toen (mede) de Nederlandse nationaliteit bezat.
- Op 28 november 2014 heeft verzoeker afstand gedaan van het Nederlanderschap. Deze afstandsverklaring is op 3 december 2014 bevestigd door de burgemeester van [plaatsnaam 1] .
- Door deze afstandsverklaring hebben ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het Nederlanderschap verloren.
- [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben bij geboorte niet het Nederlanderschap verkregen, omdat verzoeker toen zij geboren werden alleen de Marokkaanse nationaliteit bezat.
- Op 25 maart 2016 heeft verzoeker zich opnieuw in Nederland gevestigd.
- Op 25 april 2017 heeft verzoeker een optieverklaring op grond van artikel 6 lid 1 onder Pro f van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) afgelegd, welke optieverklaring op 7 juli 2017 is bevestigd door de gemeente [plaatsnaam 2] .
- De kinderen van verzoeker worden niet in de optieverklaring en de bevestiging vermeld. Zij hebben niet gedeeld in de optie van verzoeker.
- Verzoeker heeft op 21 november 2018 de minderjarigen erkend ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaatsnaam 2] .