Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
[eiseres] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
).
Rechtbank Den Haag
Eisers, beiden van Colombiaanse nationaliteit, hebben meerdere aanvragen gedaan voor een verblijfdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met het doel verblijf bij hun broer, een Spaanse staatsburger, te verkrijgen. Deze aanvragen zijn telkens afgewezen omdat eisers niet konden aantonen dat zij in Colombia in een situatie van noodzakelijke en reële afhankelijkheid van hun broer verkeerden.
De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de broer niet kan worden aangemerkt als economisch actieve of niet-actieve EU-burger met rechtmatig verblijf. Tevens is onvoldoende aangetoond dat eisers ten tijde van hun verblijf in Colombia materieel werden ondersteund door hun broer, noodzakelijk om in hun basisbehoeften te voorzien.
Eisers hebben diverse stukken overgelegd, waaronder geldoverboekingen en verklaringen, maar deze bieden geen objectief bewijs van noodzakelijke ondersteuning. De rechtbank volgt het oordeel van verweerder en eerdere uitspraken dat deze stukken onvoldoende zijn om de vereiste afhankelijkheid aan te tonen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen aanleiding is om de uitzetting te verbieden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.