ECLI:NL:RBDHA:2021:8712

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2021
Publicatiedatum
9 augustus 2021
Zaaknummer
20/7733
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit persoonsgebonden budget jeugdwet wegens onvoldoende motivering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 mei 2020 waarbij het bezwaar tegen de toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp werd afgewezen. Het oorspronkelijke besluit van 27 november 2019 kende een pgb toe van € 2.667,60 voor begeleiding individueel, categorie 2, voor 1 uur per week.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit van 13 mei 2020 niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit oordeel sluit aan bij een eerdere tussenuitspraak van 9 maart 2021, waarin soortgelijke motiveringsgebreken werden vastgesteld bij een identiek besluit.

Verweerder heeft op 28 juni 2021 een nieuw besluit genomen waarbij het primaire besluit van 27 november 2019 is ingetrokken en een pgb van € 3.840,- is toegekend, conform het door eiser aangegeven benodigde bedrag in het gezinsplan. Hierdoor is het beroep tegen het nieuwe besluit niet van rechtswege ontstaan wegens gebrek aan belang.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling omdat eiser geen professionele rechtshulp heeft ingeschakeld en er geen griffierecht is geheven.

Uitkomst: Het bestreden besluit van 13 mei 2020 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/7733

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser],
in zijn hoedanigheid als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] ,te [woonplaats] eiser,
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: P.B.L. Willemsen).

Procesverloop

Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van 13 mei 2020 beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.
2. In het besluit van 27 november 2019 heeft verweerder eiser voor de periode van 25 november 2019 tot en met 22 november 2020 een persoonsgebonden budget (pgb) ter hoogte van € 2.667,60 toegekend op grond van de Jeugdwet voor de inkoop van Begeleiding individueel, categorie 2, voor 1 uur per week.
3. In het besluit van 13 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
4. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 13 mei 2020 niet berust op een deugdelijke motivering en dat het daarom is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Voor een motivering van dat oordeel verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van deze rechtbank van 9 maart 2020 in het beroep met reg. nr. 20/1261. Het in die procedure bestreden besluit van 7 januari 2020 is, afgezien van de periode waar het besluit op ziet, identiek aan het besluit van 13 mei 2020. De in de tussenuitspraak van 9 maart 2021 geconstateerde gebreken aan het besluit van 7 januari 2020 kleven ook aan dat van 13 mei 2020. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook het onderhavige beroep kennelijk gegrond is en dat het besluit van 13 mei 2020 dient te worden vernietigd.
5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder inmiddels op 28 juni 2021 een nieuw besluit heeft genomen. In dat besluit heeft verweerder het primaire besluit van 27 november 2019 ingetrokken en in plaats daarvan besloten aan eiser voor de periode van 25 november 2019 tot en met 22 november 2020 een pgb ter hoogte van € 3.840,- toe te kennen.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het nadere besluit van 28 juni 2021 geheel aan het tegen het besluit van 13 mei 2020 gerichte beroep van eiser tegemoet is gekomen. Eiser heeft in het gezinsplan immers aan verweerder te kennen gegeven dat hij per jaar een bedrag van € 3.840,- nodig heeft om de benodigde jeugdhulp voor zijn zoon in te kopen. Verweerder heeft hem met het nieuwe besluit dit bedrag toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft eiser derhalve geen belang bij een beroep tegen het besluit van 28 juni 2021 en is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan. [1]
7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van professionele rechtshulp en niet gebleken is van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Ook is geen griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2021.
griffier
rechter, tevens kinderrechter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak mede te
ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:134 en de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4639.