ECLI:NL:RBDHA:2021:8780
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bijstand na herroeping intrekkingsbesluit
Eiseres ontving bijstand over diverse perioden, waarvan verweerder de uitkering deels terugvorderde op grond van herzienings- en intrekkingsbesluiten. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank werd het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ingesteld, die het intrekkingsbesluit geheel en het herzieningsbesluit gedeeltelijk herroept.
De rechtbank oordeelt dat door de herroeping van het intrekkingsbesluit geen grondslag meer bestaat voor de terugvordering van bijstand over de periode van 1 december 2016 tot en met 31 maart 2017. Voor de periode van februari tot augustus 2010 blijft de terugvordering gehandhaafd, aangezien deze reeds in het bestreden besluit was aangepast.
De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor het deel betreffende de terugvordering over december 2016 tot maart 2017 en herroept het primair besluit I. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor de terugvordering van bijstand over december 2016 tot maart 2017 en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.