Appellante ontving sinds 2010 bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer. Het college trok bij besluiten van 2017 de bijstand in en beëindigde deze vanwege een vermogen dat boven de vermogensgrens lag, gebaseerd op de uitbetaling van spaarpolis *13 en *14.
Appellante stelde dat het vermogen niet als zodanig mocht worden aangemerkt omdat het spaargeld was opgebouwd tijdens de bijstandsperiode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het college ten onrechte de intrekking en beëindiging handhaafde over de periode vanaf 1 augustus 2010.
Het college verscheen niet ter zitting ondanks oproepen, waardoor de Raad aannam dat het college het standpunt inzake de intrekking en beëindiging niet kon handhaven. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept de besluiten van augustus 2017, waardoor het college niet meer kan overgaan tot intrekking van bijstand over de betwiste perioden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het college werd veroordeeld in de proceskosten.