ECLI:NL:RBDHA:2021:8839
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op WW-uitkering wegens te late aanvraag zonder bijzondere omstandigheden
Eiseres heeft een WW-uitkering aangevraagd over de periode van 30 april 2019 tot en met 29 juli 2019, maar de aanvraag werd pas ingediend op 21 juli 2020, ruim na de wettelijke termijn van 26 weken. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen het niet uitbetalen van de uitkering ongegrond verklaard en dit besluit is door de rechtbank bevestigd.
Eiseres voerde aan dat zij tussen mei 2019 en december 2019 geen geldig woonadres had en daarom geen aanvraag kon indienen, en dat zij vanwege haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk en de coronamaatregelen niet eerder kon aanvragen. De rechtbank oordeelde dat eiseres deze omstandigheden onvoldoende had onderbouwd en dat zij geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die een afwijking van de wettelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte dat de termijn van 26 weken strikt wordt toegepast en dat de bevoegdheid van verweerder om hiervan af te wijken alleen geldt in objectief bijzondere gevallen, welke restrictief worden uitgelegd. Omdat eiseres niet aannemelijk maakte dat zij niet eerder kon aanvragen, is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald wegens te late aanvraag zonder bijzondere omstandigheden.