ECLI:NL:RBDHA:2021:8840
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens onvoldoende gewerkte weken en geen onbetaald verlof
Eiser was werkzaam bij een uitzendbureau en verloor zijn baan per 8 mei 2020 wegens het einde van een project. Hij vroeg op 5 oktober 2020 een WW-uitkering aan. Verweerder stelde vast dat eiser in de 36 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid minder dan 26 weken had gewerkt, namelijk 25 weken, en wees de uitkering af.
Eiser stelde dat hij in januari 2020 vier weken onbetaald verlof had vanwege de zorg voor zijn zieke partner, en dat deze weken aan het begin van de referteperiode geplakt moesten worden, waardoor hij aan de wekeneis zou voldoen. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van onbetaald verlof omdat eiser in die periode niet in dienst was en geen arbeidsovereenkomst bestond.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat onbetaald verlof alleen bestaat als er een overeenkomst is tussen werkgever en werknemer om geen arbeid te verrichten en geen loon te ontvangen. De brief van de werkgever bevestigde alleen dat eiser niet werkte, maar niet dat er sprake was van onbetaald verlof.
Daarom is de referteperiode niet verlengd en voldoet eiser niet aan de wekeneis van artikel 17 lid 1 WW Pro. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan de wekeneis voor een WW-uitkering en de referteperiode niet kan worden verlengd wegens onbetaald verlof.