ECLI:NL:CRVB:2017:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren en arbeidsurenverlies bij onbetaald verlof uitzendkracht
Appellante werkte als uitzendkracht met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vroeg een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) vast op 28 uur per week en het arbeidsurenverlies eveneens op 28 uur. Appellante maakte bezwaar omdat zij stelde 32 uur per week te hebben gewerkt, met uitzondering van een periode van onbetaald verlof.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de referteperiode correct had vastgesteld en dat onbetaald verlof niet in aanmerking genomen hoeft te worden bij een fase A uitzendkracht, omdat er geen recht op onbetaald verlof bestaat volgens de WW. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat onbetaald verlof alleen kan worden aangenomen indien dit tussen werkgever en werknemer is overeengekomen en dat dit niet het geval was bij appellante. Zij was werkzaam als uitzendkracht met een uitzendbeding waarbij alleen loon wordt betaald over daadwerkelijk gewerkte uren. Daarom is de vaststelling van het GAA en het arbeidsurenverlies door het UWV terecht en wordt het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren en arbeidsurenverlies door het UWV wordt bevestigd.