Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser
[derde-partij], te [woonplaats 2] , belanghebbende.
Rechtbank Den Haag
Eiser, werkzaam als parketteerder, meldde zich ziek wegens schouderklachten en ontving een ZW-uitkering. Verweerder beëindigde deze uitkering per 12 januari 2020 op grond van het oordeel dat eiser meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Eiser betwistte dit en voerde nieuwe schouderklachten aan, maar werd niet lichamelijk onderzocht tijdens bezwaar.
De rechtbank stelde vast dat de verzekeringsarts en bedrijfsarts meerdere medische onderzoeken en dossierstudies uitvoerden, waarbij beperkingen werden vastgelegd in Functionele Mogelijkheden Lijsten (FML). De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) bevestigde deze beoordeling na bestudering van uitgebreid medisch dossiermateriaal en een hoorzitting via beeldbellen.
Eiser voerde aan dat de beperkingen niet realistisch waren en dat zijn rechterschouderklachten onvoldoende werden meegenomen. De rechtbank oordeelde echter dat de verzekeringsarts b&b dit gemotiveerd heeft beoordeeld en dat de medische informatie geen objectieve onderbouwing gaf voor extra beperkingen. De geduide functies passen binnen de vastgestelde belastbaarheid.
Daarmee was het bestreden besluit op goede gronden genomen en het beroep ongegrond. De rechtbank wees proceskostenveroordeling af en gaf aan dat hoger beroep mogelijk is bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 12 januari 2020.