ECLI:NL:RBDHA:2021:8908

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 augustus 2021
Publicatiedatum
16 augustus 2021
Zaaknummer
SGR 20/8281
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Art. 2.2.2. Beleidsregels urgentieverklaringen Den Haag 2019
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken mantelzorg en geen bijzondere hardheid

Eiser, samenwonend met zijn vrouw en drie kinderen, diende een verzoek in voor een urgentieverklaring nadat de maatschappelijke opvang was beëindigd en zijn gezin op een hotelkamer verbleef. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser was ingeschreven op een briefadres en niet op het feitelijke woonadres, waardoor de voorwaarde van twee jaar inschrijving in de Basisregistratie Personen niet werd vervuld.

Eiser stelde dat hij mantelzorg verleende en dat de hardheidsclausule toegepast moest worden vanwege zijn uitzonderlijke situatie. De rechtbank oordeelde dat niet was gebleken dat eiser daadwerkelijk mantelzorg verleende, aangezien hij dit slechts ongemotiveerd had gesteld en niet voldeed aan de voorwaarden van een mantelzorgrelatie zoals vastgelegd in het beleid.

Daarnaast vond de rechtbank dat verweerder terecht had geoordeeld dat de afwijzing geen bijzondere hardheid opleverde, mede gezien de schaarste aan sociale woningen en het ontbreken van onderbouwing van de gevolgen voor het gezin. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/8281

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 27 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring afgewezen.
In het besluit van 20 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1. Eiser woont samen met zijn vrouw en drie kinderen. Hij is met zijn gezin in 2018 vanuit [buitenland] naar Nederland teruggekeerd. Nadat een eerste verzoek om voorrang is afgewezen, heeft hij een urgentieverzoek ingediend omdat de maatschappelijke opvang is beëindigd en zijn gezin woont op een hotelkamer.
2. Verweerder volgt het advies van de bezwaarschriftencommissie en heeft het bezwaar afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser staat ingeschreven op een briefadres en niet op het adres waar hij feitelijk verblijft. De weigeringsgrond van twee jaar inschrijving in de Basisregistratiepersonen Personen in de regio Haaglanden is daarom van toepassing.
Wat zijn de regels?
3. Verweerder heeft deze regels voor urgentieverklaringen neergelegd in de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening) en in de Beleidsregels urgentie verklaringen Den Haag 2019 (de Beleidsregels). De aanvraag is afgewezen op grond van artikel 4:5, aanhef en sub n, van de Huisvestingsverordening.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser stelt dat hij een acuut huisvestigingsprobleem heeft. De voorwaarde van het achterlaten van een zelfstandig woonruimte achterlaten in het beleid van verweerder werkt zichzelf tegen en is onevenredig. Op het moment iemand een woonruimte heeft en in aanmerking komt voor een urgentieverklaring, is immers het probleem opgelost. Bovendien geldt voor de grondslag van artikel 4:5, aanhef en sub n, van de Huisvestingsverordening een uitzondering voor aanvragen zoals die van eiser, namelijk voor het verlenen van mantelzorg. Vervolgens stelt eiser dat zijn situatie zodanig uitzonderlijk is, dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de situatie van eiser niet heeft geleid tot het afwijken van de regels.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen op grond van artikel 4:5, onder n, van de Huisvestingsverordening. De stelling van eiser dat de uitzondering van het artikel van toepassing is omdat eiser mantelzorg verleent, volgt de rechtbank niet. In het advies van de bezwaarschriftencommissie staat dat hoewel aannemelijk is dat de moeder van bezwaarmaker mantelzorg nodig heeft, niet is gebleken dat die mantelzorg daadwerkelijk wordt geleverd door eiser. Dit laatste heeft eiser in beroep slechts ongemotiveerd gesteld. Niet is gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden dat er minimaal 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag sprake is van een mantelzorgrelatie, de mantelzorg is verspreid over 4 dagen per week en de mantelzorg nog ten minste 1 jaar zal voortduren. [1] De afwijzingsgrond is daarom van toepassing. Gelet op deze afwijzingsgrond behoeft de beroepsgrond ten aanzien van de zelfstandige woonruimte geen bespreking.
6. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afwijzing geen bijzondere hardheid oplevert. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat er een grote schaarste is aan sociale woningen in de regio [2] en dat de situatie van eiser zich niet zodanig onderscheidt van andere mensen in de regio die in een moeilijke situatie verkeren. De gestelde gevolgen voor het gezin heeft eiser niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft met deze motivering volstaan en is niet gehouden om expliciet de situatie van eiser te benoemen of te vergelijken met andere aanvragers.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 2.2.2., onder c, d, en e, van de Beleidsregels.
2.Verweerder mag deze motivering voeren gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2920).