Verzoekster is op 17 februari 2021 geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar, alsmede een maatregel van bewaring. Tegen deze besluiten zijn eerdere beroepen en hoger beroep ongegrond verklaard.
Op 4 augustus 2021 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner, welke op 10 augustus 2021 is afgewezen. Verzoekster betoogt dat zij daardoor rechtmatig verblijf heeft en dat de voorgenomen uitzetting niet rechtmatig is.
De voorzieningenrechter stelt vast dat bezwaar tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting slechts mogelijk is tegen de wijze van uitvoering of bij gewijzigde omstandigheden. Verzoekster heeft geen gronden aangevoerd tegen de wijze van uitzetting en ook zijn er geen nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting aantasten.
De afwijzing van de verblijfsvergunning leidt niet tot rechtmatig verblijf en het eerdere terugkeerbesluit staat in rechte vast. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.