De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn voor het bouwen van een vrijstaande woning en terras aan het water. De directe buren, eisers, zijn tegen deze vergunning in beroep gegaan omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en zij menen dat het woon- en leefklimaat hierdoor onevenredig wordt aangetast.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan inderdaad buiten de kaders van de wijzigingsbevoegdheid valt en dat het perceel geen bouwvlak heeft in het bestemmingsplan. Het terras is niet toegestaan op de als water bestemde gronden. Desondanks heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend, onderbouwd met een ruimtelijke onderbouwing.
De rechtbank weegt de belangen af en oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan het woon- en leefklimaat van eisers niet dermate aantast dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De massaliteit, bouwhoogte, privacy, bezonning en uitzicht worden niet in die mate aangetast dat de vergunning geweigerd had moeten worden. Ook het terras aan het water vormt geen onrechtmatige aantasting, mede gelet op het positieve advies van het Hoogheemraadschap.
De beroepen worden ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter Kettenis-de Bruin op 22 januari 2021.