Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Country Report: Bulgaria 2020 updatevan AIDA. De toestand in de detentiecentra is zorgwekkend. Daarnaast heeft eiser in Bulgarije bij een opvolgende asielaanvraag geen recht op materiële opvangvoorzieningen omdat deze aanvraag geen schorsende werking heeft. Verder is er geen mogelijkheid om een effectief rechtsmiddel in te stellen, volgens de wet in Bulgarije bestaat kosteloze rechtsbijstand wel, maar in de praktijk wordt deze niet gegeven. Eiser zal bij overdracht in een situatie van vergaande materiële deprivatie terechtkomen en hij heeft geen mogelijkheid om daarover te klagen in Bulgarije. De ondergrens van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) wordt volgens eiser overschreden. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van het Tribunale Ordinario di Roma van 2 april 2021. Eiser stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een tussenuitspraak moet doen waarbij aan verweerder gevraagd wordt om garanties van de Bulgaarse autoriteiten, ook zal de rechtbank deze zaak moeten verwijzen naar de meervoudige kamer. Eiser is van mening dat ook bij dit overdrachtsbesluit, zonder asielverzoek, getoetst dient te worden aan artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Hij wijst erop dat (artikel 4 van Pro) het Handvest een absoluut karakter heeft. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1995 (C-312/93). Voor de beoordeling van de maatregel van bewaring is ook de vraag van belang of de rechtbank bij een ‘kaal’ overdrachtsbesluit dient te toetsen aan artikel 3 van Pro het EVRM dan wel artikel 4 van Pro het Handvest. Het antwoord op deze vraag volgt volgens eiser uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 maart 2019 (C-163/17, het arrest Jawo), en dan met name uit het antwoord op de derde prejudiciële vraag.
zware grondenvermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
lichte grondenvermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.