ECLI:NL:RBDHA:2021:9679
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf wegens Europees inreisverbod
Verzoekster, een Zuid-Afrikaanse nationaliteit houdende vrouw, vroeg een visum voor kort verblijf aan om haar familie in Nederland te bezoeken en de rouwperiode rond het overlijden van haar echtgenoot en moeder af te sluiten. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van het Europees inreisverbod dat sinds maart 2020 geldt ter beperking van de verspreiding van het coronavirus.
Verzoekster stelde dat er sprake was van een spoedeisend belang en dat zij niet besmet was met COVID-19. Zij beriep zich tevens op Richtlijn 2004/38/EU. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen zwaarwegend spoedeisend belang was en dat het bezwaar tegen het besluit geen redelijke kans van slagen had. Er was geen wezenlijk gewijzigde situatie ten opzichte van een eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening.
De emotionele noodzaak van verzoekster en haar familie om samen te komen werd erkend, maar onvoldoende geacht om het inreisverbod te doorbreken. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder zitting vanwege onverwijlde spoed. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt afgewezen wegens ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.