ECLI:NL:RBDHA:2021:9737
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag wegens niet-voldoen aan verblijfsrechtelijke voorwaarden
Eiseres, een minderjarige met de Indonesische nationaliteit, verzocht via haar moeder (referente) om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland. De moeder beschikte ten tijde van het bestreden besluit over een tijdelijk Chavez-verblijfsrecht, waardoor gezinshereniging niet was toegestaan. Verweerder wees de aanvraag af op grond van het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.15 van het Vreemdelingenbesluit.
Eiseres voerde aan dat haar moeder inmiddels een regulier verblijfsrecht had en dat dit meegewogen moest worden in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro. Ook stelde zij dat het Chavez-verblijfsrecht niet tijdelijk is en dat de richtlijn 2004/38 toepasselijk is. De rechtbank oordeelde echter dat het Chavez-verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft en dat de ex-tunc toetsing betekent dat de latere verkrijging van een regulier verblijfsrecht niet tot een ander oordeel leidt.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig had gemaakt en dat er geen sprake was van objectieve belemmeringen voor het gezinsleven in Indonesië. De stelling dat de hoorplicht was geschonden werd verworpen omdat het horen niet noodzakelijk was gezien de omstandigheden. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard.