ECLI:NL:RBDHA:2021:9758

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2021
Publicatiedatum
3 september 2021
Zaaknummer
AWB 21/5109
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6 VwArt. 14 SchengengrenscodeArt. 6 Schengengrenscode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing toegangsweigering op Schiphol wegens COVID-19 inreisverbod

Verzoeker, een Venezolaanse staatsburger woonachtig in Chili, werd op 28 augustus 2021 bij aankomst op Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd en werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd om zich in de luchthavenlounge te bevinden. Hij wilde een familiebijeenkomst bijwonen, maar viel onder het algemeen Europees inreisverbod dat sinds maart 2020 geldt ter bestrijding van de verspreiding van COVID-19.

Verzoeker stelde dat hij ten onrechte werd geweigerd, mede omdat zijn oma, eveneens afkomstig uit een hoogrisicogebied, wel toegang had gekregen en hij volledig gevaccineerd was. Hij bood aan een PCR-test te ondergaan en in quarantaine te gaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker niet viel onder de uitzonderingen op het inreisverbod en dat het verzoek geen redelijke kans van slagen had.

De rechtbank wees het verzoek tot voorlopige voorziening af, bevestigde de toegangsweigering en de vrijheidsbeperkende maatregel en wees erop dat het administratief beroep bij de rechtbank moet worden voortgezet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de toegangsweigering werd afgewezen en de vrijheidsbeperkende maatregel bleef van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/5109

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[Naam], verzoeker,

(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. ten Cate).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2021 is verzoeker de toegang tot Nederland geweigerd en is aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verzoeker heeft tegen dit besluit op 28 augustus 2021 administratief beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de beslissing tot weigering van toegang op te schorten.
Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad, is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Verzoeker is van Venezolaanse nationaliteit en woont in Chili. Hij wenst de bruiloft van een tante in Nederland bij te wonen op 10 september 2021. Op 28 augustus 2021 is hij vanuit Chili aangekomen op de luchthaven Schiphol waar hem de toegang is geweigerd en aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Vw is opgelegd om zich op te houden in de lounge op de luchthaven. Uit door verweerder schriftelijk verstrekte informatie volgt dat voor verzoeker op 29 augustus om 9.50 uur een terugvlucht is geboekt.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet op de toegangsweigering. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker tevens beroep bij de rechtbank heeft ingesteld tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. Uit artikel 94, tweede lid, van de Vw volgt dat dit beroep wordt geacht mede een beroep te omvatten tegen de weigering van toegang tot Nederland. Gelet hierop heeft verzoeker ten onrechte administratief beroep bij verweerder ingesteld. Dit is niet van invloed op de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal het administratief beroepschrift op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb moeten doorzenden aan de rechtbank.
3. De Koninklijke Marechaussee heeft verzoeker de toegang geweigerd op grond van artikel 14, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode [1] , omdat hij wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten van de Europese Unie. Verweerder meent dat dit terecht is gebeurd en beroept zich op het algemeen Europees inreisverbod dat sinds 19 maart 2020 geldt en dat als doel heeft het beperken van de verspreiding van het coronavirus door reisbewegingen te voorkomen en in te perken. Verzoeker valt niet onder de vastgestelde uitzonderingen. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser afkomstig is uit een land dat is aangewezen als zeerhoogrisicogebied.
4. Verzoeker voert aan dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoeker en zijn oma zijn de enige familieleden die op 10 september 2021 de bruiloft van zijn tante kunnen bijwonen. Verzoeker meent dat hem ten onrechte de toegang is geweigerd en dat in strijd is gehandeld met het verbod van willekeur. Verzoekers oma, van Venezolaanse nationaliteit en afkomstig uit Colombia, is op 15 augustus 2021 wél toegang verleend tot Nederland. Net als verzoeker is ook zij afkomstig uit een ‘hoogrisicogebied’ en verzoeker ging er daarom vanuit dat ook hij tot Nederland zou worden toegelaten om de bruiloft bij te wonen. Verder stelt hij dat alle andere passagiers van de vlucht uit Chili wél toegang tot Nederland is verleend.
Subsidiair betwist verzoeker dat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, nu hij volledig is gevaccineerd en afkomstig is uit een land met een zeer hoge vaccinatiegraad. Bovendien is hij bereid om een PCR-test te ondergaan en – indien gewenst – voor vijf dagen in quarantaine te gaan. Meer subsidiair voert hij aan dat de aanwezigheid bij de bruiloft kan worden aangemerkt als een essentiële reis. Verzocht wordt de toegangsweigering op te heffen, zodat verzoeker de toegang toe Nederland zal worden verleend.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5. De Europese Commissie heeft op 16 maart 2020 de Europese Raad geadviseerd om tijdelijk beperkingen op te leggen aan niet-essentiële reizen naar de Europese Unie (EU). Op 17 maart 2020 heeft de Europese Raad de door de Europese Commissie voorgestelde mededeling met tijdelijke beperkingen en richtsnoeren inzake grensbeheer bekrachtigd. Vanaf 19 maart 2020 is in Nederland dan ook een algemeen inreisverbod van kracht. Dit inreisverbod houdt verband met de bestrijding van het Coronavirus (COVID-19) en beoogt de volksgezondheid binnen de EU te beschermen en verdere verspreiding van het virus van de EU naar andere landen tegen te gaan., Voor Nederland zijn de inreisbeperkingen per 1 juli 2020 deels opgeheven en gelden er uitzonderingen op de beperkingen voor specifieke categorieën van reizigers. Wanneer iemand niet onder één van de genoemde uitzonderingscategorieën valt , wordt de toegang tot het Schengengebied geweigerd op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, van de Schengengrenscode ongeacht of de persoon ziekteverschijnselen vertoont [2] .
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het verweerschrift voldoende gemotiveerd dat verzoeker niet valt onder één van de categorieën vreemdelingen die is uitgezonderd van het algemeen inreisverbod. Verweerder heeft terecht verwezen naar de website van de rijksoverheid [3] waaruit volgt dat verzoeker afkomstig is uit een zeerhoogrisicogebied en daarom slechts kan inreizen indien sprake is van een essentiële reis. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Verzoeker weet blijkens zijn verklaringen dat hij afkomstig is uit een (zeer)hoogrisicogebied en heeft ook verklaard dat hij niet weet of een bruiloft als essentiële reis wordt aangemerkt. Het had op zijn weg gelegen om dit voorafgaand aan zijn reis na te gaan en (goed) te controleren of één van de uitzonderingscategorieën op hem van toepassing is. Aan het enkele feit dat zijn oma wél heeft mogen inreizen, kan verzoeker geen rechten ontlenen. Niet is gebleken dat verzoekers omstandigheden volledig vergelijkbaar zijn. Ook kan die gestelde toestemming om in te reizen hebben berust op een vergissing. Dit geldt ook voor verzoekers niet onderbouwde stelling dat alle andere passagiers uit het vliegtuig waarmee hij is aangekomen, wél zijn toegelaten.
7. Gelet op het voorgaande heeft het beroep naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld op 28 augustus 2021 om 20:43 uur aan de gemachtigde van verweerder en om 20:46 uur aan de gemachtigde van verzoeker.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/399.
2.Aanbeveling (EU) 2020/912 van de Raad van de Europese Unie van 30 juni 2020 ver de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU en de mogelijke opheffing van die beperking, Pb EU LI 208/1.
3.https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/nederland-inreizen/eu-inreisverbod/uitzonderingen