ECLI:NL:RBDHA:2021:9800
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op vrijstelling leges bij aanvraag verblijfsvergunning humanitaire gronden
Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'overige humanitaire omstandigheden'. Deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld vanwege het niet betalen van de leges. Eiseres verzocht om vrijstelling van de leges op grond van artikel 3.34a, onder j en k, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, waarbij zij zich beroept op artikel 8 EVRM Pro en humanitaire gronden.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de vrijstelling van de leges heeft geweigerd. Verweerder heeft alle door eiseres aangevoerde schrijnende omstandigheden, waaronder haar langdurig verblijf, sociale banden, medische situatie en mantelzorg, meegewogen en heeft zich op redelijke gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van omstandigheden die vrijstelling rechtvaardigen. Het ontbreken van een volledig medisch dossier en het feit dat eiseres tussen 2000 en 2017 uit beeld was, spelen hierbij een rol.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt eveneens. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin soortgelijke beroepen ongegrond werden verklaard en benadrukt dat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met jurisprudentie waarin verblijfsvergunningen werden toegekend. De tijdelijke belemmeringen door de coronapandemie wegen niet mee.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarmee de uitzetting niet wordt verboden. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van vrijstelling van leges wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.