Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
V-nummers: [Nummer 1] en [Nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam 1], eiseres
[Naam 2]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende op 5 augustus 2019 een asielaanvraag in Nederland in, mede namens haar minderjarige kind. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eiseres voerde aan dat zij niet als gezinslid van haar echtgenoot kan worden aangemerkt en dat de overdrachtstermijn was verstreken, maar deze argumenten werden verworpen.
De rechtbank hield het beroep aan in afwachting van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de opvang van kwetsbare vreemdelingen in Italië. Het EHRM bevestigde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, ook voor kwetsbare asielzoekers, en dat aanvullende garanties niet noodzakelijk zijn. Eiseres kon niet aannemelijk maken dat zij en haar kinderen geen opvang zouden krijgen of dat hun medische behoeften niet in Italië kunnen worden voldaan.
De rechtbank oordeelde dat de opschorting van de overdrachtstermijn door de voorlopige voorziening geldig was en dat het lange tijdsverloop geen reden is om de aanvraag aan Nederland toe te wijzen. Verweerder hoefde de verantwoordelijkheid niet aan zich te trekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling.