Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om wijziging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd naar niet-tijdelijke humanitaire gronden. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de vereisten van artikel 3.51, achtste lid, sub b, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser kon niet worden aangemerkt als gezinslid van een Turkse werknemer en had niet drie jaar als zodanig in Nederland verbleven. Tevens was hij geen werknemer in loondienst.
Eiser beriep zich op het arrest Bozkurt van het HvJ EU en op artikel 7 van Pro Besluit 1/80, stellende dat hij rechten kon ontlenen aan deze bepalingen. De rechtbank oordeelde echter dat eiser slechts één jaar en vier maanden als gezinslid van een Turkse werknemer verbleef, waardoor hij niet voldeed aan de vereiste drie jaar verblijf. Het arrest Bozkurt betrof de vraag of een gezinslid na echtscheiding rechten behoudt, wat hier niet van toepassing was.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het beroep afwijst. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de wijziging van zijn verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.