ECLI:NL:RBDHA:2021:9963
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke overdracht aan Duitsland op grond van het Dublinverdrag en verzocht om een voorlopige voorziening om deze overdracht te verbieden in afwachting van bezwaarbehandeling.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat het bezwaar zich richt tegen een handeling die gelijkgesteld is aan een besluit en dat bezwaar alleen kansrijk is als nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd die de rechtmatigheid van de overdracht aantasten. Verzoeker stelde dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 3 EVRM Pro vanwege een verhoogd corona-risico en rechtsextremistisch geweld.
De rechter oordeelt dat deze argumenten niet nieuw zijn en dat de situatie rondom corona en geweld niet zodanig is gewijzigd dat overdracht onrechtmatig is. Het eerdere besluit waarbij Duitsland verantwoordelijk werd gesteld voor de asielaanvraag staat onherroepelijk vast. Het reisadvies van de Minister van Buitenlandse Zaken verandert hier niets aan.
Daarom heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen van het bezwaar.