Verzoeker, van Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel arbeid als zelfstandige. Dit verzoek werd op 12 oktober 2021 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 17 januari 2022 werd vastgesteld dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, omdat er geen concrete uitzettingsdatum bekend was en vreemdelingen in de bezwaarfase doorgaans niet worden uitgezet. De enkele plicht om Nederland te verlaten en een uitgevaardigd inreisverbod werden niet als voldoende spoedeisend belang gezien.
Daarnaast bleek niet dat het besluit van de Staatssecretaris evident onrechtmatig was, zodat zonder diepgaand onderzoek het standpunt van de overheid niet ernstig betwijfeld kon worden. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.